De Belgische tuimelaar behoort tot de oudste duivengroepen. ‘Tuimelen’ betekent het maken van één of meerdere achterwaartse salto’s tijdens het vliegen. Dat doen de Belgische tuimelaars helaas al lang niet meer, al proberen sommigen die eigenschap terug te fokken. De eisen inzake de oogkleur is mee de oorzaak van de teloorgang van hun vliegeigenschappen. Een duif met parelogen die veelvuldig van vrije uitvlucht kan genieten, krijgt een pareloog dat met adertjes doorlopen is. En dat wordt nu algemeen als fout aanzien. Daardoor is de liefhebber genoodzaakt om deze duiven in volières te huisvesten.
In de 19de eeuw kwamen er veel Belgische hoogvliegers voor in de streek rond Luik. Ze zijn verwant aan de Cumulet en de Hagenaar. Hoogvliegers hadden de eigenschap om zeer hoog te vliegen, tot ze nog slechts als speldenkopjes aan de hemel te zien waren. Voor het ontstaan van de reisduiven had de ‘hoogvliegsport’ nog een ruime aanhang. De huidige Belgische hoogvliegers zijn helaas echte volièreduiven geworden. De eisen die men bij dit ras aan de oogkleur stelt, is mede de oorzaak van de teloorgang van hun vliegeigenschappen. Belgische hoogvliegers zijn middelgrote witte duiven met, net zoals de Belgische tuimelaar, een pareloog. Liefhebbers zijn ook bij deze dieren genoodzaakt om ze in volières te huisvesten.
De Ronsenaar is, zoals de naam laat vermoeden, afkomstig uit de streek van Ronse. Ze zijn pas rond 1900 in hun oorspronkelijke verschijningsvorm gefokt. Ronsenaars zijn altijd wit van kleur en hebben steeds donkere ogen. Vroeger was er ook sprake van de ‘primitieve’ Ronsenaar wiens verenkleed leek op dat van een dominicaner Gentse Kropper.
De Carneau is een Belgisch-Frans duivenras, afkomstig uit de driehoek Lille (Rijsel), Doornik en Kortrijk. De naam zou volgens sommige bronnen voortkomen uit de gelijkenis tussen het verenkleed van de oorspronkelijke kleurslag van de Carneau (rood met epauletten) met de kledij van geestelijken van de orde van de Carmel.
Het Speelderken is een zeer oud Vlaams ras. De oude meester David Teniers de Jonge schilderde naar alle waarschijnlijkheid Speelderkes in de 17de eeuw. John Moore beschreef ze al in 1730. Hij noemde ze toen 'the Finnicken'. In Beschrijvinge der Duyven van Van Vollenhoven (1686) worden ze 'Drayertjens' genoemd om hun typische vliegstijl (baltsspel). Speelderkes hebben een baltsspel waarbij de doffer op geringe hoogte (van 50 cm tot 1 m) cirkels boven zijn duivin vliegt om haar het hof te maken. Goede doffers doen dit meerdere malen binnen enkele minuten. Ringslagers en Speelderkes zijn de enige rassen die 'gebroken ogen' mogen hebben. Dat is een oog waarvan de pupil 'uitgelopen' is naar de snavel toe. Dat geeft de indruk dat de duif scheel kijkt. In België en Nederland zijn nog een tiental fokkers actief met Speelderkes.
De Limburgse Kraagduif werd al in 1850 in Duitsland en in Engeland gefokt. Vanaf 1970 is het ras in Limburg terug tot leven gewekt, maar het blijft een zeldzame soort. Limburgse kraagduiven zijn sierlijke duifjes die verwant zijn aan de Oud Hollandse Kapucijn. Ze worden ook wel eens de duifjes van Jan Steen genoemd, omdat ze op minstens één van ‘s meesters doeken voorkomen. De Limburgse Kraagduiven hebben geen enkele nutswaarde. Ze stellen weinig eisen aan verzorging en huisvesting. Soms durven ze te verbazen omwille van de gekozen nestplaats. Ze benutten de meest onmogelijke plaatsen. Met hun volle kraag maken ze een aparte indruk. Ze komen voor in de kleurslagen wit, zwart, rood en geel, maar zijn steeds eenkleurig.
De Luikse Barbet is afkomstig van de streek rond Luik. Het ras is verwant aan de Luikse reisduif en ze hebben ook gemeenschappelijke voorouders. De Barbet werd in de 19de eeuw als reisduif gebruikt. Barbetjes zijn korte en gedrongen duifjes met een typisch meeuwduivenjabot vooraan de hals. Door hun reisduivenafkomst zijn het gespierde duifjes. Ze zijn gemakkelijk in de fok, de verzorging en de huisvesting. De Luikse Barbet komt voor in al de erkende reisduivenkleuren (geen bont). Ze hebben een rond kopje dat een ononderbroken lijn moet vertonen van snavelpunt tot achterhoofd. Een keelwam is een grove fout en moet derhalve in de fok vermeden worden. De jabot is goed ontwikkeld en vormt het belangrijkste verschil met de Luikse Reisduif. In Wallonië kent dit ras nog een ruime aanhang. Ook in Vlaanderen zijn er enthousiaste fokkers.