Over het ontstaan van de Brakelhoen bestaan er verschillende theorieën. De ware toedracht zullen we wellicht nooit te weten komen. Toch zijn er sporen terug te vinden die aantonen dat voorouders van de Brakelhoenders al eeuwen geleden deel uitmaakten van het pluimvee dat door boeren op hun erf werd gehouden in de streek rond Nederbrakel en Oudenaarde. Na de Eerste Wereldoorlog zorgde de invoer van hybrides ervoor dat de Brakel steeds meer in de verdrukking kwam als dé eiproducent in Vlaanderen. In 1971 werden de resterende Zilverbrakels samengebracht: amper twee hennen, een haan uit Duitsland en nog eens twaalf eieren. Daarnaast vond men nog één Goudbrakelhaan. Vanuit dat handjevol dieren werd de Brakel terug opgebouwd tot een vrij populair ras.
Het Zottegems hoen (goudkleur) wordt soms ook wel Zottegemse zwartkop of Zwartkopbrakel genoemd. Die laatste naam duidt meteen de verwantschap met de Brakel aan. De Zottegemse is dan ook een onderras van de Brakel. Omdat de Brakel een zo groot verspreidingsgebied kende, ontstonden er typeverschillen binnen het ras. Een van de varianten was het Zottegems hoen.
Het Zingems leghoen is een van onze recentste kippenrassen, gecreëerd in de jaren 1970 door Dion De Laporte uit Ouwegem, een deelgemeente van het Oost-Vlaamse Zingem. Door een doorgedreven selectie bekwam hij een homogeen kippenras met een fraai uitzicht, bekroond met de officiële erkenning als Belgisch ras in 1985.
Over de oorsprong van het Famenne hoen is vrijwel niets gekend. Het wordt vaak beschreven als een witte variant van het Ardenner hoen. Toch zijn er meerdere verschillen tussen beide rassen. Het Famenne hoen is iets zwaarder en heeft geen donkere pigmentatie in het gezicht en de kopversierselen. Bovendien heeft dit witte ras zogenaamde ‘vitsogen’: bijna volledig zwarte ogen. Tegenwoordig is het Famenne hoen zeer zeldzaam. In Vlaanderen wordt het niet gekweekt en in Wallonië zijn er slechts een paar fokkers bekend.
Het Herve hoen is een zeer oud ras dat zou afstammen van de Gallische oerkip. Het is een sterk ras met natuurlijke instincten. In oude geschriften wordt regelmatig verwezen naar ‘de zwarte landkip’. Het ras is afkomstig uit het Land van Herve in de provincie Luik waar het zich uitstekend had aangepast aan het leven in de weilanden. In 1896 werd de standaard opgesteld. Zoals voor zoveel pluimveerassen betekende de Eerste Wereldoorlog een zware klap. Daarna bloeide het ras vrij snel weer op, al was die bloeiperiode van korte duur. Ook het Herve hoen werd verdrongen door meer productieve buitenlandse rassen.
Van onze lokale rassen is het Brabants hoen het enige lid van de familie van de kuifhoenders. Dit ras is ook bekend onder de naam Brabançonne, Topman of Houpette. Zoals bij vele van onze lokale rassen is de selectie van dit hoen pas begonnen op het einde van de 19de eeuw. In 1903 werd er een speciaalclub opgericht. Die zorgde voor een bloeiperiode van het Brabants hoen. Steeds nieuwe kleurslagen zagen het levenslicht, waaronder de kwartelkleurige die later de meest typische kleurslag zou worden. Met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd de opmars van het Brabants hoen bruusk gestopt. Na de oorlog werd de Leghorn steeds populairder en met de komst van de industriële hybriden betekende dit de dood van het Brabants hoen als producent van eieren in de landbouw. Het ras heeft de tand des tijds louter en alleen overleefd dankzij een handvol volhardende liefhebbers. Gelukkig gaat het intussen al enige tijd beter met het Brabants hoen en neemt de vraag ernaar toe.
Gele van Mehaigne. In het begin van de 20ste eeuw kwamen er in de buurt van Namen gele leghoenders voor. Die werden in het Nederlands Vale van Haspengouw genoemd. In het begin van de jaren 1940 ging Georges Herregodts, gedreven door jeugdherinneringen aan de Vale van Haspengouw, op zoek naar dat verdwenen ras. Hij vond evenwel niets terug en besloot dan maar zelf een krielras te fokken naar het evenbeeld van de Vale van Haspengouw. Zo creëerde hij een heel eigen ras. In 1946 verschenen de eerste creaties op een tentoonstelling. In 1951 werd een standaard opgesteld en in 1957 werd de Gele van Mehaigne officieel door de landsbond erkend. Momenteel is het een sterk bedreigd krielras.
Het hoen van de Zwalmvallei is het resultaat van een recent experiment: Frans Okerman wilde een zelfseksend hoenderras kweken. Dat betekent dat je aan de kleur van de eendagskuikens het geslacht herkent. Als uitgangsrassen koos hij een combinatie van Goudbrakel hennen gekruist met enerzijds een Duitse Koekoekhaan en anderzijds een Vlaanderse Koekoekhaan. Na enkele jaren selecteren bekwam Okerman een fraai, kleurrijk en fokzuiver verervend hoen met de nieuwe kleurslag goudpelkoekoek.
Brugse Vechter. Al eeuwen worden er in West-Vlaanderen en Noord-Frankrijk vechthoenders gekweekt voor hanengevechten. In 1858 werd er voor de eerste keer gesproken over La race de Bruges en La race de Combat du Nord. De Noord-Franse vechter is echter een ander ras dan de Brugse vechter. Verder onderzoek moet aantonen of dit 150 jaar geleden ook zo was. De eerste standaard zou dateren van 1908. Vroeger trof men veel van deze dieren aan, maar sinds het verbod op hanengevechten is de Brugse een sierras geworden en sterk teruggelopen in aantal. Tegenwoordig is de Brugse een zeldzame verschijning geworden en overleeft hij dankzij enkele standvastige liefhebbers. De Brugse vechter is de ‘ridder’ onder onze hoenders en straalt trots en waardigheid uit. Tegenover soortgenoten is hij agressief maar niet tegenover mensen.
De Waasse kriel is de rozenkammige variant van de Belgische kriel. Een rozenkam is een eerder platte kam bedekt met ronde oneffenheden en uitlopend in een kamdoorn. Verder is dit ras in alle opzichten identiek aan de Belgische kriel. De naam ‘Waasse kriel’ komt van de regio van ontstaan: het Land van Waas, ten westen van Antwerpen. In de volksmond noemt men die kleine kip wel eens Steens Kieksken. Naast de patrijskleurige Waasse krielen kom je sporadisch nog wel eens een tarwekleurig, zilverpatrijs of blauwpatrijs exemplaar tegen. Waasse krielen zijn zeldzaam.
Doornikse Kriel. In de buurt van Doornik ontstond aan het einde van de 19de eeuw een krielras dat de naam Mille fleurs du Tournaisis kreeg. Later werd dat omgevormd tot Naine du Tournaisis of Doornikse kriel. Omdat het rustige en aanhankelijke dier op vele binnenschepen loslopend op het dek werd gehouden, is er tevens sprake van een schipperskip. In Wallonië kom je dit ras regelmatig tegen. In Vlaanderen is het een zeldzame verschijning.
De Izegemse koekoek is een zeer oud en mooi Vlaams ras. Al in 1554 werd er melding van gemaakt. Hoe de dieren er toen uitzagen, is niet bekend. Fokkers letten toen immers nog niet op het uiterlijk van de dieren maar selecteerden op nutseigenschappen. Geleidelijk aan is er meer eenheid in de raskenmerken gekomen door toedoen van voornamelijk fokkers uit het Izegemse. De Eerste Wereldoorlog veegde het ras nagenoeg van de kaart maar wonderwel lukte het de fokkers vrij snel om het ras weer op te bouwen. Ook na de Tweede Wereldoorlog leek de Izegemse koekoek van de kaart geveegd. Het duurde tot 1970 vooraleer opnieuw gestart werd met de veredeling van de restanten van dit ras.
De Vlaanderse of Vlaamse koekoek is eigenlijk een streekras dat op zich nooit veel betekenis gehad heeft in de Belgische pluimveegeschiedenis. Dat hij de directe voorouder is van het Mechels hoen geeft het ras wel enig aanzien. Oorspronkelijk kwam de Vlaanderse koekoek ook in Frans-Vlaanderen voor en eigenlijk hebben de Fransen beter zorg gedragen voor de Coucou des Flandres dan de Vlamingen zelf. Toen het ras een aantal jaren geleden dreigde uit te sterven, heeft een Franse fokker nog snel enkele exemplaren uit Vlaanderen gehaald. Enkele jaren geleden kwamen enkele dieren uit Frankrijk opnieuw naar België en zijn er nu in Vlaanderen weer enkele fokkers van dit rustieke hoen.